Raad voor de Journalistiek

De Raad voor de Journalistiek is een onafhankelijke instelling voor zelfregulering van de media.

Code van de Raad voor de Journalistiek

CodeCode van de Raad voor de Journalistiek


Code van de Raad voor de Journalistiek
De code is goedgekeurd door de VZW Vereniging van de Raad voor de Journalistiek op 20 september 2010.

Hij is aangevuld op 23 april 2012, op 16 december 2013 en op 7 december 2015 door de raad van bestuur van de VZW Vereniging van de Raad voor de Journalistiek.

BEGINSELEN

Het recht op informatie en vrije meningsuiting is een fundamenteel mensenrecht en een essentiële voorwaarde voor een democratische samenleving.

De pers heeft het recht en de plicht om het publiek te informeren over zaken van maatschappelijk belang.

Het recht van het publiek om de feiten en de opinies te kennen bepaalt de journalistieke vrijheid en verantwoordelijkheid.

De verantwoordelijkheid van de journalist tegenover het publiek veronderstelt een maximale vrijheid en heeft voorrang op zijn verantwoordelijkheid tegenover zijn werkgever en die tegenover de overheid.

De journalist legt zich daarbij normen op, die volgen uit het respect voor andere fundamentele mensenrechten. Die normen vloeien voort uit zijn plicht om (I) waarheidsgetrouw te berichten, (II) onafhankelijk informatie te garen en te verstrekken, (III) fair op te treden en (IV) respect te betonen voor het privéleven en de menselijke waardigheid.

De journalist kan van sommige bepalingen van deze code afwijken als een voldoende gewichtig maatschappelijk belang dat vereist en de informatie niet op een andere manier kan gebracht worden. De bepalingen waarop deze afwijking van toepassing is, worden hierna aangeduid met *.

Een aantal bepalingen van deze code worden aangevuld met concrete richtlijnen, die als bijlage bij de code worden gevoegd. Deze bepalingen worden hierna aangeduid met een pijl ► die linkt naar de betrokken richtlijn.

I. WAARHEIDSGETROUW BERICHTEN

1.  De journalist bericht waarheidsgetrouw. Dit vloeit voort uit het recht van het publiek om de waarheid te kennen.

2.  De journalist publiceert alleen informatie waarvan de oorsprong hem gekend is. De journalist checkt de waarachtigheid van de informatie. In de mate van het mogelijke, en voor zover dit relevant is, maakt hij de bron van zijn informatie bekend.

3.  De journalist schrapt of verdraait geen essentiële informatie  in teksten, beelden, klankfragmenten of andere documenten. Bij het verwerken van vraaggesprekken geeft hij de verklaringen van de geïnterviewde getrouw weer en respecteert hij de geest van het gesprek. 

4.  De journalist maakt voldoende het onderscheid tussen zijn feitelijke berichtgeving en zijn commentaar duidelijk voor het publiek. 
In zijn berichtgeving maakt de journalist het onderscheid tussen feiten, veronderstellingen, beweringen, en opinies duidelijk voor het publiek.

5.  De journalist zet loyaal de relevante feitelijke informatie recht die hij onjuist weergegeven had.

6.  De journalist verleent desgevraagd loyaal een wederwoord  om relevante feitelijke informatie recht te zetten of aan te vullen. Een vraag om wederwoord kan enkel om ernstige redenen afgewezen worden.

II. ONAFHANKELIJK INFORMEREN

7.  De journalist en zijn redactie genieten een maximale vrijheid van informatie, van commentaar en van kritiek, en zij oefenen die in verantwoordelijkheid uit.

8.  Als auteur van een opiniebijdrage, een column of cartoon geniet de journalist een grotere mate van vrijheid om zijn mening te geven en om conclusies te trekken uit de feiten dan in zijn feitelijke berichtgeving.

9.  De journalist en zijn redactie bewaren hun onafhankelijkheid en weren elke druk. De journalist aanvaardt slechts redactionele richtlijnen van de redactieverantwoordelijken. De journalist heeft het recht om opdrachten die niet stroken met de journalistieke ethiek te weigeren. 

10. – De journalist vermijdt belangenvermenging met personen of organisaties waarmee hij beroepshalve in contact komt.

11. – De journalist leent zich niet tot reclame of propaganda. Hij laat zich niet onder druk zetten door adverteerders of belanghebbenden bij de informatie.

Reclameboodschappen en andere commerciële bijdragen worden zodanig gebracht dat de mediagebruiker duidelijk kan vaststellen dat het geen journalistieke werken zijn, bijvoorbeeld door een expliciete vermelding of een duidelijk verschil in de vormgeving.

12. – De journalist aanvaardt opdrachten noch voordelen die zijn onafhankelijkheid of de onafhankelijkheid van zijn redactie in gevaar brengen. 

13. – De journalist gebruikt financiële informatie, waarvan hij kennis heeft en voordat die aan het publiek openbaar is gemaakt, niet in zijn eigen belang of dat van zijn omgeving. De journalist onthoudt zich van elke vorm van misbruik van voorkennis en marktmanipulatie. 

14. – Het staat de redactie vrij ingezonden brieven en andere reacties van een naschrift te voorzien of niet te plaatsen. Wijziging en inkorting zijn toegestaan zolang de inhoudelijke essentie en de toonzetting behouden blijven.

De redactie beheert in volle onafhankelijkheid haar webforums en draagt de verantwoordelijkheid voor dit beheer. 

III. FAIR PLAY

15. – De journalist gebruikt loyale methodes om informatie, foto's, beelden en documenten te verkrijgen of te verwerken.*

De journalist maakt geen misbruik van zijn hoedanigheid, in het bijzonder ten aanzien van mensen in een maatschappelijk kwetsbare situatie zoals minderjarigen, slachtoffers van criminaliteit, rampen en ongevallen, en hun familie. 

16. – Voor informatie wordt niet betaald*. Enkel voor de exclusiviteit van beeldmateriaal of interviews kan worden betaald op voorwaarde dat dit de vrije nieuwsgaring niet in het gedrang brengt. 

17. – Bij het vergaren van informatie maakt de journalist zichzelf en het doel van zijn optreden bekend.* 

18. – De journalist pleegt geen plagiaat.

19. – De journalist beschermt de identiteit van zijn bronnen aan wie hij vertrouwelijkheid heeft toegezegd, en van bronnen van wie hij wist of moest weten dat zij hem informatie hebben toegespeeld in de verwachting dat hij hun identiteit niet zou onthullen.*

20. Wanneer een journalist in zijn berichtgeving zelf ernstige beschuldigingen uit, met name wanneer die de eer en de goede naam betreffen, is het aangewezen dat hij de betrokkene voor de publicatie of de uitzending contacteert en hem loyaal de kans biedt hierop te reageren.*

21. – De journalist maakt met bronnen of andere gesprekspartners geen afspraken die zijn onafhankelijkheid in het gedrang brengen. Maar gemaakte afspraken moeten wel worden nageleefd, met name wanneer het gaat over het noemen van namen of de voorinzage van teksten. Precies om die reden moeten afspraken ook duidelijk en ondubbelzinnig zijn. 

IV. - RESPECT VOOR HET PRIVELEVEN EN DE MENSELIJKE WAARDIGHEID

22. – De journalist houdt rekening met de rechten van eenieder die in de berichtgeving voorkomt. Hij weegt die rechten af tegenover het maatschappelijk belang van de informatie.

23. – De journalist respecteert het privéleven van personen en tast het niet verder aan dan noodzakelijk in het maatschappelijk belang van de berichtgeving.

De journalist gaat in het bijzonder omzichtig om met mensen in een maatschappelijk kwetsbare situatie, zoals minderjarigen, slachtoffers van criminaliteit, rampen en ongevallen, en hun familie. 

24. De journalist respecteert de menselijke waardigheid en tast ze niet verder aan dan noodzakelijk is in het maatschappelijk belang van de berichtgeving.

De journalist vermijdt overdrijving bij het vrijgeven van beelden en/of details, ook wanneer de feiten de publieke opinie sterk beroeren. 

25. – De journalist uit geen ongegronde verdachtmakingen of beschuldigingen.

26. De journalist respecteert het leed van slachtoffers en hun omgeving en bij zijn nieuwsgaring dringt hij zich niet ongepast op.

27. De journalist zet niet aan tot discriminatie of racisme. Hij waakt erover dat de formulering van zijn berichtgeving niet stigmatiserend is, onder meer wanneer hij elementen vermeldt zoals etnische afkomst, nationaliteit, religie, levensbeschouwing, seksuele geaardheid of gender.

 

Richtlijnen bij de Code van de Raad voor de Journalistiek

 

RICHTLIJN BIJ ARTIKEL 3. BEWERKING VAN BEELDMATERIAAL EN GEBRUIK VAN ARCHIEFMATERIAAL

Art 3. De journalist schrapt of verdraait geen essentiële informatie  in teksten, beelden, klankfragmenten of andere documenten. Bij het verwerken van vraaggesprekken geeft hij de verklaringen van de geïnterviewde getrouw weer en respecteert hij de geest van het gesprek.

Beeldbewerkingen die de journalistieke inhoud van een beeld of van een document wijzigen, moeten duidelijk waarneembaar zijn voor de kijker/lezer, die op geen enkele wijze misleid mag worden. Indien niet meteen duidelijk is dat het om een bewerkt beeld gaat, wordt in het beeldonderschrift of de begeleidende tekst duidelijk aangegeven dat het beeld bewerkt is.

Indien beelden zodanig worden bewerkt dat ze niet meer weergeven wat de camera reëel heeft vastgelegd, moet dat voor de kijker duidelijk gemaakt worden in de begeleidende commentaar of tekst. Ook nagespeelde gebeurtenissen en reconstructies vallen hieronder.

Archiefmateriaal moet altijd als archiefmateriaal herkenbaar blijven als het gebruik ervan aanleiding kan geven tot misleiding van het publiek.

RICHTLIJN BIJ ARTIKEL 9. VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE HOOFDREDACTIE

Art 9. De journalist en zijn redactie bewaren hun onafhankelijkheid en weren elke druk. De journalist aanvaardt slechts redactionele richtlijnen van de redactieverantwoordelijken. De journalist heeft het recht om opdrachten die niet stroken met de journalistieke ethiek te weigeren.

De hoofdredacteur of degene die deze journalistieke functie uitoefent heeft de eindverantwoordelijkheid voor het geheel van het journalistieke product. Hij/zij bewaakt de onafhankelijkheid en de integriteit van de redactie, zodat ze de regels voor behoorlijk professioneel gedrag en de journalistieke ethiek correct kan toepassen.

De hoofdredacteur is tevens het aangewezen aanspreekpunt voor de commerciële en de advertentieafdeling. Het is de opdracht van de hoofdredacteur om daarbij de redactionele onafhankelijkheid te waarborgen en erop toe te zien dat commerciële acties geen invloed hebben op de onafhankelijkheid van de redactie.

RICHTLIJN BIJ ARTIKEL 12. FINANCIERING VAN JOURNALISTIEKE ACTIVITEITEN

Journalistieke activiteiten worden in principe betaald met middelen van de redactie onder verantwoordelijkheid van de hoofdredactie.

  • Wanneer derden uitzonderlijk bepaalde onkosten dragen of bepaalde diensten leveren voor journalistieke opdrachten of activiteiten, waarborgen de journalist en de hoofdredactie de journalistieke onafhankelijkheid.
  • Wanneer er in zulke gevallen een risico bestaat voor de geloofwaardigheid bij het publiek, is de journalist transparant over de externe financiering of ondersteuning.

RICHTLIJN BIJ ARTIKEL 13. HANDEL MET VOORKENNIS, MARKTMANIPULATIE, BELEGGINGSAANBEVELINGEN EN BELANGENCONFLICTEN

Art 13. De journalist gebruikt financiële informatie, waarvan hij kennis heeft en voordat die aan het publiek openbaar is gemaakt, niet in zijn eigen belang of dat van zijn omgeving. De journalist onthoudt zich van elke vorm van misbruik van voorkennis en marktmanipulatie.

Richtlijn inzake handel met voorkennis, marktmanipulatie, beleggingsaanbevelingen en belangenconflicten

Tekst richtlijn (PDF)

 

RICHTLIJN BIJ ARTIKEL 14. OMGANG VAN DE PERS MET GEBRUIKERSINHOUD 

Art. 14. Het staat de redactie vrij ingezonden brieven en andere reacties van een naschrift te voorzien of niet te plaatsen. Wijziging en inkorting zijn toegestaan zolang de inhoudelijke essentie en de toonzetting behouden blijven.

De redactie beheert in volle onafhankelijkheid haar webforums en draagt de verantwoordelijkheid voor dit beheer.

Richtlijn over de omgang van de pers met gebruikersinhoud

Belangrijk is dat een onderscheid wordt gemaakt tussen het nieuwsmateriaal (tips, foto’s, videobeelden…) en de opiniebijdragen (commentaarstukken, reacties …) die door gebruikers worden bezorgd.

Het nieuwsmateriaal wordt, voordat het wordt openbaar gemaakt, door de redacties behandeld volgens de klassieke regels van de journalistieke bronnencontrole. Het is dus ook de redactie die verantwoordelijk is voor wat wordt gepubliceerd.

Bij discussieforums vallen de opiniebijdragen die erop verschijnen onder de eerste verantwoordelijkheid van de auteurs, maar het medium dat de bijdragen publiceert, is op beroepsethisch vlak mee verantwoordelijk voor het goed beheer van het forum.

Bij digitale discussieforums kunnen de media die verantwoordelijkheid opnemen door:

  • hetzij de binnenkomende reacties te toetsen op hun toelaatbaarheid voor opname in het forum (de zogenaamde pre-monitoring);
  • hetzij de ingestuurde reacties voor publicatie na te lezen en selectief te publiceren (het zogenaamde actief modereren);
  • hetzij (bij zogenaamde post-monitoring) in de nodige technieken te voorzien zodat ongepaste inhoud zo snel mogelijk wordt verwijderd.

Om ongepaste inhoud te voorkomen of zo snel mogelijk te verwijderen bestaan onder meer volgende technieken:

  • het zich vooraf laten registreren door de gebruikers;
  • het duidelijk vermelden op de site van de gebruiksvoorwaarden en aanbevelingen;
  • het gebruik van een elektronische filter om ongepaste termen te weren;
  • het aanbieden van de mogelijkheid om ongepaste reacties te signaleren aan de moderator van het forum;
  • het vooraf modereren en continu begeleiden van discussies over gevoelige onderwerpen.

Ten slotte herinnert de Raad voor de Journalistiek eraan dat anonieme bijdragen slechts uitzonderlijk kunnen gepubliceerd worden, en dat de redactie alleszins over de identiteitsgegevens van de inzender moet beschikken.

 

RICHTLIJN BIJ ARTIKEL 15. OMGANG VAN DE PERS MET MINDERJARIGEN 

Art 15. De journalist gebruikt loyale methodes om informatie, foto's, beelden en documenten te verkrijgen of te verwerken.

De journalist maakt geen misbruik van zijn hoedanigheid, in het bijzonder ten aanzien van mensen in een maatschappelijk kwetsbare situatie zoals minderjarigen, slachtoffers van criminaliteit, rampen en ongevallen, en hun familie.

Uiteraard zijn alle artikels van de Code onverkort van toepassing op minderjarigen.  Maar minderjarigen bekleden een bijzondere positie.  Daarom specificeert deze richtlijn een aantal elementen in de omgang van de pers met minderjarigen.

Richtlijn

De journalist houdt het belang van de minderjarige voor ogen. Hij heeft aandacht voor het recht op bescherming van de minderjarige, maar ook voor het recht op vrije meningsuiting van de minderjarige.

De journalist houdt bij zijn afwegingen rekening met:

  • de context, de aard en de gevoeligheid van het onderwerp;
  • de emotionele betrokkenheid van de minderjarige bij het onderwerp;
  • de maturiteit en oordeelsbekwaamheid van de minderjarige.

Hij doet dat wanneer hij een minderjarige aan het woord laat of herkenbaar in beeld brengt, maar ook wanneer een minderjarige door derden herkenbaar ter sprake wordt gebracht.

1. De minderjarige aan het woord

De journalist die een minderjarige aan het woord laat, informeert hem op zijn niveau over het opzet van de berichtgeving.

De journalist die een minderjarige herkenbaar aan het woord laat, vraagt in principe toestemming aan de ouders of de voogd, of aan een derde die tijdelijk of occasioneel verantwoordelijkheid draagt over de minderjarige.

Toestemming is nodig bij:

  • emotioneel geladen onderwerpen;
  • controversiële onderwerpen;
  • langer lopende rubrieken of reportages waarin de minderjarige de rode draad vormt.

Hoe groter de controversiële of emotionele geladenheid, des te meer vraagt de journalist zich af of toestemming van een eventuele derde wel volstaat en of het toch niet aangewezen is om ouders of voogd rechtstreeks te contacteren.

In uitzonderlijke gevallen kan er een aantoonbaar belang zijn om geen toestemming te vragen.

 Toestemming is niet nodig bij alledaagse en niet controversiële onderwerpen.

De journalist overweegt altijd of het niet aangewezen is om de minderjarige anoniem of onder een andere naam aan het woord te laten.

2. De minderjarige in beeld

De journalist die een minderjarige herkenbaar in beeld brengt, vraagt in principe toestemming aan de minderjarige zelf, en aan de ouders, de voogd, of een derde die tijdelijk of occasioneel verantwoordelijkheid draagt over de minderjarige.

Toestemming is niet nodig voor algemene beelden op openbare plaatsen.

Ook voor herkenbare beelden die door officiële instanties worden verspreid, is geen toestemming nodig.

Toestemming voor herkenbare beelden is ook niet nodig wanneer een gewichtig maatschappelijk belang zwaarder doorweegt dan het belang van de minderjarige.

Bij gebeurtenissen die voor de pers toegankelijk zijn of waar de pers uitgenodigd is, geldt de impliciete toestemming van de aanwezigen. Wanneer een minderjarige of degene die ter plekke verantwoordelijkheid over hem draagt  zich uitdrukkelijk verzet tegen het maken van herkenbare beelden, houdt de journalist daar wel rekening mee.

De journalist overweegt altijd of het niet aangewezen is om de minderjarige onherkenbaar te maken.

In uitzonderlijke gevallen bekleden minderjarigen bewust een publieke rol. Dat verlaagt de drempel om herkenbaar over hen te berichten of hen herkenbaar in beeld te brengen.

3. Archiefmateriaal

Wanneer de journalist een interview met of beelden van een minderjarige opnieuw publiceert, houdt hij er rekening mee dat de context van een minderjarige snel evolueert.

Hij houdt ook rekening met de oorspronkelijke context. Het is niet evident om eerder gepubliceerd materiaal uit een andere context, opnieuw te publiceren in een nieuwe, negatieve context. Het kan aangewezen zijn om ouder materiaal niet opnieuw te publiceren, of om opnieuw toestemming te vragen voor publicatie.

Naast artikel 15 vragen nog een aantal andere artikels of richtlijnen uit de code bijzondere aandacht voor minderjarigen:

4. Sociale media (Richtlijn bij artikel 22)

Wanneer hij gebruik maakt van informatie en beeldmateriaal van persoonlijke websites of sociale netwerksites van minderjarigen, gaat de journalist bijzonder terughoudend om met gegevens of afbeeldingen die de identificatie van de minderjarige mogelijk maken.

5. Privéleven (Artikel 23)

De journalist gaat bijzonder omzichtig om met het privéleven van minderjarigen. Hij respecteert het en tast het niet verder aan dan noodzakelijk in het maatschappelijk belang van de berichtgeving.

6. Gerechtelijke context (Richtlijn bij artikel 23)

De journalist gaat uiterst terughoudend om met (beperkte) identificatie van minderjarigen in een gerechtelijke context. Volledige identificatie en herkenbare beelden van een minderjarige die betrokken is bij strafbare feiten, zijn in de regel niet toegestaan.

6.1.De jeugdrechtbank

Elke identificatie van een minderjarige die het voorwerp is van een maatregel van een jeugdrechter, is bij wet verboden en dus strafbaar. 

De Raad voor Journalistiek is evenwel van oordeel dat identificatie in een aantal gevallen beroepsethisch wel verantwoord kan zijn. Dat kan het geval zijn:

  • Wanneer de berichtgeving helemaal niet over de betrokken zaak gaat en de maatregel van de jeugdrechter niet genoemd wordt;
  • Om identificatiegegevens te publiceren die justitie, politie of Child Focus zelf vrijgeven, bijvoorbeeld in het kader van een zoekactie. Als deze instanties in een latere fase om bijzondere redenen vragen om de verspreiding van de gegevens te stoppen, houdt de journalist daar in de mate van het mogelijke rekening mee;
  • In uitzonderlijke gevallen van gewichtig maatschappelijk belang, bijvoorbeeld om een minderjarige toe te laten zijn of haar kant van de zaak toe te lichten. Cruciaal is de vraag of de identificatie hier in het belang van de minderjarige zelf is. De journalist moet dat kunnen motiveren.

6.2.Gerechtelijke context buiten de jeugdrechtbank

 Minderjarige slachtoffers, getuigen of andere betrokkenen in een gerechtelijke context worden in de regel niet geïdentificeerd. Er wordt ook uiterst terughoudend omgegaan met gegevens die identificatie mogelijk maken.

Enkel bij ernstige misdrijven en op voorwaarde van een gewichtig maatschappelijk belang kunnen eventueel de voornaam, de beginletter van de familienaam, de leeftijd en de woonplaats bekend worden gemaakt.

Volledige identificatie en/of herkenbare beelden zijn alleen bij uitzondering mogelijk en onder de volgende voorwaarden die de journalist moet kunnen motiveren:

  • De feiten zijn zeer ernstig en hebben de maatschappij sterk beroerd;
  • De politie of het gerecht verspreiden zelf een opsporingsbericht met volledige identificatie en/of herkenbare beelden;
  • De ouders of voogd van minderjarige slachtoffers komen zelf met hun verhaal naar buiten en maken geen bezwaar tegen volledige identificatie of herkenbare beelden van hun kind. De journalist houdt daarbij rekening met het belang van de minderjarige.

Als de ouders of nabestaanden van minderjarigen de pers verzoeken een bepaalde lijn aan te houden in verband met de identificatie van minderjarigen, wordt daarmee zo veel mogelijk rekening gehouden. De journalist houdt daarbij ook rekening met het belang van de minderjarige.

7. Intieme, familiale of rouwplechtigheden (Richtlijn bij artikel 24)

De journalist verslaat intieme, familiale of rouwplechtigheden met respect en houdt daarbij rekening met de wens van de betrokkenen.


RICHTLIJN BIJ ARTIKEL 17. VERBORGEN OPNAMES, INCOGNITO- EN ALIASJOURNALISTIEK

Art 17. Bij het vergaren van informatie maakt de journalist zichzelf en het doel van zijn optreden bekend.*

De journalist die een communicatie registreert met de bedoeling ze integraal of gedeeltelijk uit te zenden of te publiceren, stelt in beginsel zijn gesprekspartner hiervan op de hoogte, alsook van het doel waarvoor hij de opname maakt. *

Incognitojournalistiek, waarbij de journalist  zijn hoedanigheid verzwijgt, verborgen opnames en aliasjournalistiek, waarbij de journalist bewust een andere hoedanigheid aanneemt, zijn slechts verantwoord indien de informatie niet op een andere manier kan verkregen worden en wanneer er voldoende maatschappelijk belang is. Bij aliasjournalistiek moet dat zelfs een gewichtig maatschappelijk belang zijn. Overleg met de hoofdredactie over het gebruik van deze technieken is aangewezen. Er moet steeds zorgvuldig  worden afgewogen of er geen overdreven risico’s worden genomen voor de veiligheid van de journalist en de omstanders. Een journalist kan niet onder druk worden gezet om risicovolle opdrachten te aanvaarden.

Het uitzenden van heimelijk opgenomen telefoongesprekken of van opnames met verborgen camera of microfoon kan alleen als er een voldoende maatschappelijk belang is en als de informatie niet op een andere manier kan verkregen worden. Overleg met de hoofdredactie over het gebruik van deze technieken is aangewezen. 

Bij incognito-, alias- en verborgen opnames wordt er in beginsel voor gezorgd dat de betrokkenen niet identificeerbaar zijn.


RICHTLIJN BIJ ARTIKEL 21. EMBARGO EN VRAAG TOT UITSTEL VAN BERICHTGEVING

Art. 21. De journalist maakt met bronnen of andere gesprekspartners geen afspraken die zijn onafhankelijkheid in het gedrang brengen. Maar gemaakte afspraken moeten wel worden nageleefd, met name wanneer het gaat over het noemen van namen of de voorinzage van teksten. Precies om die reden moeten afspraken ook duidelijk en ondubbelzinnig zijn.

Berichtgeving kan het voorwerp uitmaken van een embargo. In dit geval verstrekt een bron informatie maar vraagt zij in ruil een afspraak over het moment van publicatie. Wanneer een dergelijke afspraak wordt gemaakt, wordt ze door de journalist nageleefd. Een embargo wordt opgeheven zodra de informatie uit een andere bron bekend is.

Berichtgeving kan ook het voorwerp uitmaken van een vraag tot uitstel. In dit geval vraagt een betrokken partij om informatie die de journalist zelf gegaard heeft tijdelijk niet te publiceren. 

Uitzonderlijk kunnen er redenen zijn om hierop in te gaan:

  • Ofwel wanneer het nieuws nog moet ontstaan of indien het uitstel noodzakelijk is voor een goede verwerking van dat nieuws.
  • Ofwel wanneer het leven of de gezondheid van mensen op het spel staat, ofwel om de opheldering van zware misdrijven tegen personen niet in het gedrang te brengen, ofwel om enig ander ernstig nadeel te voorkomen.

Embargo’s en vragen tot uitstel zullen enkel worden gehonoreerd indien ze behoorlijk zijn aangevraagd, inhoudelijk precies zijn omschreven, overtuigend en uitdrukkelijk gemotiveerd zijn, gelden voor alle media en in de tijd beperkt zijn.

 

RICHTLIJN BIJ ARTIKEL 22. GEBRUIK VAN INFORMATIE EN BEELDMATERIAAL VAN PERSOONLIJKE WEBSITES EN SOCIALE NETWERKSITES

 22. – De journalist houdt rekening met de rechten van eenieder die in de berichtgeving voorkomt. Hij weegt die rechten af tegenover het maatschappelijk belang van de informatie. 

Richtlijn over het gebruik van informatie en beeldmateriaal van persoonlijke websites en sociale netwerksites

Het internet, meer bepaald persoonlijke websites en blogs, internetfora en sociale netwerksites, maakt het mogelijk dat persoonlijke gegevens, meningen en afbeeldingen worden gedeeld met een groot publiek.

Persoonlijke websites en sociale netwerksites kunnen voor de media een bron van informatie zijn. Het feit dat iemand persoonlijke gegevens, informatie of beeldmateriaal op het internet of op een sociale netwerksite plaatst, zelfs als het om publiek toegankelijke pagina’s gaat, betekent evenwel niet automatisch dat dit materiaal zonder meer mag worden overgenomen in andere media.

Om dit materiaal toch te kunnen gebruiken, moeten een aantal afwegingen worden gemaakt.  

1. Context van de informatie

De journalist houdt rekening met de aard en de doelstelling van de site, zelfs wanneer het gaat om publiek toegankelijke pagina’s. Een site die zich vooral richt tot een specifieke groep of omgeving wordt anders behandeld dan een site of informatie die duidelijk bedoeld is voor het algemene publiek.

Wanneer de betrokkene zelf de toegang tot de informatie heeft beperkt, is gebruik in principe niet geoorloofd. De journalist moet aantonen dat er sprake is van een gewichtig maatschappelijk belang om het eventuele gebruik toch te rechtvaardigen.

Er is bijzondere terughoudendheid vereist wanneer informatie of beeldmateriaal wordt gebruikt dat in een totaal andere context of met een totaal andere bedoeling op het net werd geplaatst dan die van de nieuwsfeiten waarover bericht wordt. Verspreiding in de ene context betekent niet dat de informatie of het beeldmateriaal zomaar in een andere context mag worden gebruikt.

2. Maatschappelijk belang

De aantasting van het privéleven mag niet verder gaan dan noodzakelijk in het maatschappelijk belang van de berichtgeving. Het maatschappelijk belang moet van die aard zijn dat het recht op informatie het recht op privacy overstijgt.

Het gebruik zonder toestemming van herkenbaar beeldmateriaal kan enkel verantwoord worden in het licht van het maatschappelijk belang van de berichtgeving. De journalist moet dit maatschappelijk belang kunnen aantonen.

Hoewel ook bekende of publieke figuren recht hebben op respect voor hun privéleven, moeten zij meer dan anderen aanvaarden dat bepaalde privégegevens die door hen op het internet zijn geplaatst en die voor het publiek toegankelijk zijn, openbaar worden gemaakt in het kader van verslaggeving. Ook hier mag de aantasting van het privéleven evenwel niet verder gaan dan noodzakelijk in het maatschappelijk belang van de berichtgeving.

3. Personen in een maatschappelijk kwetsbare positie

 Bijzondere terughoudendheid is vereist bij het bekend maken van gegevens of afbeeldingen die de identificatie mogelijk maken van mensen in een maatschappelijk kwetsbare positie, zoals minderjarigen, slachtoffers van criminaliteit, rampen en ongevallen, en hun familie.

Over zwaar gewonde en overleden slachtoffers die geen publieke figuren zijn, worden geen persoonlijke details vrijgegeven zo lang er geen zekerheid is dat de directe naasten werden ingelicht.

Bij slachtoffers die geen publieke figuren zijn, vergewist de journalist zich ervan dat hij informatie en beeldmateriaal, afkomstig van persoonlijke websites en sociale netwerksites, kan overnemen. Wanneer blijkt dat nabestaanden of slachtoffers zelf zich verzetten tegen de openbaarmaking, leeft de journalist dit verbod na.

4. Behandeling van de informatie

De journalist checkt de waarachtigheid van de informatie of de beelden. Hij gaat na of de informatie door de betrokkene zelf op het net werd geplaatst, dan wel door anderen zonder toestemming. In het laatste geval kan de informatie enkel gebracht worden indien er een gewichtig maatschappelijk belang mee gemoeid is.

Bij de selectie en de publicatie van de informatie, in het bijzonder van beelden, draagt de journalist er zorg voor dat deze aangepast is aan de omstandigheden van de berichtgeving. De journalist vermijdt overdrijving bij het vrijgeven van beelden en/of details, ook wanneer de feiten de publieke opinie sterk beroeren. 


 RICHTLIJN BIJ ARTIKEL 22. DIGITALE ARCHIEVEN EN HERGEBRUIK VAN ARCHIEFINFORMATIE

 Art 22. – De journalist houdt rekening met de rechten van eenieder die in de berichtgeving voorkomt. Hij weegt die rechten af tegenover het maatschappelijk belang van de informatie.

Richtlijn over digitale archieven en het hergebruik van archiefinformatie

Internet met de eraan gekoppelde zoekmachines heeft de toegankelijkheid van digitale archieven sterk vergroot. Het maatschappelijk belang van zo volledig mogelijke archieven, die getrouw weergeven wat werd gepubliceerd, en het recht op informatie  wegen in beginsel zwaarder door dan het belang dat personen kunnen hebben bij het verwijderen, anonimiseren, niet meer toegankelijk maken of aanvullen van gearchiveerde artikelen, beelden of uitzendingen. Bij vragen hieromtrent maakt de redactie daarom een journalistiek ethische afweging tussen het maatschappelijk belang van het archief en het recht op informatie enerzijds, en de rechten van de betrokkene, zoals zijn recht op privacy en menselijke waardigheid en recht op vergetelheid anderzijds.

De journalist maakt eenzelfde afweging wanneer hij informatie en beelden uit archieven op een later tijdstip opnieuw gebruikt.


RICHTLIJN BIJ ARTIKEL 23. IDENTIFICATIE IN GERECHTELIJKE CONTEXT

Art. 23. De journalist respecteert het privéleven van personen en tast het niet verder aan dan noodzakelijk in het maatschappelijk belang van de berichtgeving.

De journalist gaat in het bijzonder omzichtig om met mensen in een maatschappelijk kwetsbare situatie, zoals minderjarigen, slachtoffers van criminaliteit, rampen en ongevallen, en hun familie.

Richtlijn over identificatie in een gerechtelijke context

Ook publieke figuren hebben recht op respect voor hun privéleven. Er zijn echter elementen van het privéleven, die een invloed kunnen hebben op het publieke leven. Berichtgeving hierover kan verantwoord zijn om het publiek te informeren over kwesties van maatschappelijk belang.

Met publieke figuren wordt bedoeld mensen die een publieke of een maatschappelijk verantwoordelijke functie uitoefenen of die zelf de publieke belangstelling opzoeken. Een publieke figuur kan ook iemand zijn die in een voor de berichtgeving relevant milieu een publieke rol heeft of bekendheid geniet.

Bij incognito-, alias- en verborgen opnames wordt er in beginsel voor gezorgd dat de betrokkenen niet identificeerbaar zijn. Indien de betrokkenen publieke figuren zijn, kan identificatie verantwoord zijn.

Bij het maken van algemeen beeldmateriaal in publieke ruimtes is het niet altijd mogelijk om elke betrokkene toestemming te vragen. Wanneer een betrokkene uitdrukkelijk meldt dat hij niet in beeld wil komen, wordt dit door de journalist gerespecteerd. Desgevraagd wordt het materiaal uit het archief verwijderd. Uitzonderingen hierop zijn handelingen waarvan het maatschappelijk belang verantwoordt om er toch over te berichten, zoals bijvoorbeeld illegale handelingen.

De journalist die in zijn berichtgeving een procespartij, een verdachte, een veroordeelde of een slachtoffer identificeert door woord, tekst of beeld, maakt steeds een afweging tussen het recht van het publiek om zo volledig mogelijk geïnformeerd te worden enerzijds en het recht op privacy van de persoon over wie bericht wordt anderzijds. Naar gelang van de situatie en/of de gebruikte techniek (beeld, tekst…) zal de journalist kiezen voor een volledige identificatie, voor een beperkte identificatie of voor het niet bekendmaken van de identiteitsgegevens.

Achtereenvolgens wordt hierna de berichtgeving over verdachten, veroordeelden, minderjarigen en slachtoffers toegelicht.

1. Verdachten

Principes

Beperkte identificatie kan uitzonderlijk.
Volledige identificatie en herkenbare beelden kunnen alleen onder specifieke voorwaarden. 

1.1.             Algemeen

Uiterste voorzichtigheid wordt in acht genomen wanneer er twijfel is over de betrokkenheid van de verdachte. Elke verdachte geniet immers het vermoeden van onschuld en dit dient uit de berichtgeving te blijken.

1.2.             Beperkte identificatie

De voornaam, de beginletter van de familienaam, de leeftijd en de woonplaats kunnen eventueel worden vermeld.

Of deze gegevens worden vermeld, en de mate waarin, moet hoofdzakelijk afhangen van 1.1 en van de ernst van de feiten, de stand van het onderzoek en het maatschappelijk belang om over de feiten te berichten.

Bij lichte misdrijven ligt zelfs beperkte identificatie niet voor de hand.

1.3.             Volledige identificatie en herkenbare beelden

Volledige identificatie en herkenbare beelden kunnen alleen onder één van volgende voorwaarden, die de redactie moet kunnen motiveren:

  • Een gewichtig maatschappelijk belang rechtvaardigt de volledige identificati
  • De verdachte is een publiek figuur en het maatschappelijke belang rechtvaardigt zijn identificatie.
  • Bij ernstige misdrijven wanneer de schuld aannemelijk is gemaakt, bijvoorbeeld door een bekentenis, een betrapping op heterdaad of door informatie uit betrouwbare bron.
  • De verdachte is voortvluchtig en de politie of het gerecht heeft een opsporingsbericht verspreid met volledige identiteitsgegevens en/of herkenbare beelden.
  • De verdachte is voortvluchtig en vormt een gevaar voor de samenleving.
  • Het volledig identificeren van de verdachte kan een waarschuwing betekenen voor mogelijke nieuwe slachtoffers.
  • De verdachte komt zelf met zijn verhaal naar buiten en maakt geen bezwaar tegen verdere identificatie.

1.4.            Minderjarige verdachten

Zie 4.

2. Veroordeelden

Principes

Beperkte identificatie kan eventueel.
Volledige identificatie en herkenbare beelden kunnen alleen onder specifieke voorwaarden. 

 2.1.            Algemeen

De herintegratie in de maatschappij van een veroordeelde, zijn reclassering, of het lange tijdsverloop na de veroordeling, zijn elementen waarmee de journalist rekening houdt om terughoudend te zijn met identiteitsgegevens.

2.2.            Beperkte identificatie

De voornaam, de beginletter van de familienaam, de leeftijd en de woonplaats kunnen eventueel worden vermeld.

Of deze gegevens worden bekendgemaakt, en de mate waarin, moet hoofdzakelijk afhangen van 2.1 en van de ernst van de feiten, de stand van de procedure en het maatschappelijk belang om over de feiten te berichten.

Bij lichte misdrijven ligt zelfs beperkte identificatie niet voor de hand.

2.3.            Volledige identificatie en herkenbare beelden

Volledige identificatie en herkenbare beelden kunnen alleen onder één van volgende voorwaarden, die de redactie moet kunnen motiveren:

  • Het maatschappelijk belang rechtvaardigt de volledige identificatie.
  • De veroordeelde is een publiek persoon en het maatschappelijk belang rechtvaardigt zijn volledige identificatie.
  • De ernst van de feiten rechtvaardigt de volledige identificatie.
  • De veroordeelde komt zelf met zijn verhaal naar buiten en maakt geen bezwaar tegen volledige identificatie.

2.4.            Minderjarige veroordeelden

Zie 4.

3. Slachtoffers

Principes

Beperkte identificatie kan eventueel.
Volledige identificatie en herkenbare beelden zijn in de regel niet toegestaan. 

 3.1.            Algemeen

Bij slachtoffers worden, indien mogelijk, de identiteitsgegevens pas bekendgemaakt nadat blijkt dat het slachtoffer of de rechtstreekse familie op de hoogte is gebracht.

Er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de vraag van een slachtoffer of zijn directe omgeving om niet geïdentificeerd te worden.

Elke identificatie van slachtoffers van seksueel geweld is bij wet verboden, tenzij met hun schriftelijke toestemming of die van de onderzoeksmagistraat.

3.2.            Beperkte identificatie

De voornaam, de eerste letter van de familienaam, de leeftijd en de woonplaats kunnen eventueel worden vermeld.

Of deze gegevens worden vermeld, en de mate waarin, moet afhangen van 3.1. en van de ernst van de feiten en van het maatschappelijk belang om erover te berichten. De redactie moet haar beslissing kunnen motiveren.

3.3.            Volledige identificatie en herkenbare beelden

Volledige identificatie en herkenbare beelden kunnen alleen onder één van volgende voorwaarden, die de redactie moet kunnen motiveren:

  • Een gewichtig maatschappelijk belang.
  • De ernst van de feiten.
  • De bekendheid van het slachtoffer.
  • De instemming van het slachtoffer of van zijn nabestaanden. 

3.4.            Minderjarige slachtoffers

Zie 4.

4. Minderjarigen

De journalist gaat uiterst terughoudend om met (beperkte) identificatie van minderjarigen in een gerechtelijke context. Volledige identificatie en herkenbare beelden van een minderjarige die betrokken is bij strafbare feiten, zijn in de regel niet toegestaan.

4.1.De jeugdrechtbank

Elke identificatie van een minderjarige die het voorwerp is van een maatregel van een jeugdrechter, is bij wet verboden en dus strafbaar.

De Raad voor Journalistiek is evenwel van oordeel dat identificatie in een aantal gevallen beroepsethisch wel verantwoord kan zijn. Dat kan het geval zijn:

  • Wanneer de berichtgeving helemaal niet over de betrokken zaak gaat en de maatregel van de jeugdrechter niet genoemd wordt;
  • Om identificatiegegevens te publiceren die justitie, politie of Child Focus zelf vrijgeven, bijvoorbeeld in het kader van een zoekactie. Als deze instanties in een latere fase om bijzondere redenen vragen om de verspreiding van de gegevens te stoppen, houdt de journalist daar in de mate van het mogelijke rekening mee;
  • In uitzonderlijke gevallen van gewichtig maatschappelijk belang, bijvoorbeeld om een minderjarige toe te laten zijn of haar kant van de zaak toe te lichten. Cruciaal is de vraag of de identificatie hier in het belang van de minderjarige zelf is. De journalist moet dat kunnen motiveren.

4.2. Gerechtelijke context buiten de jeugdrechtbank

Minderjarige slachtoffers, getuigen of andere betrokkenen in een gerechtelijke context worden in de regel niet geïdentificeerd. Er wordt ook uiterst terughoudend omgegaan met gegevens die identificatie mogelijk maken.

Enkel bij ernstige misdrijven en op voorwaarde van een gewichtig maatschappelijk belang kunnen eventueel de voornaam, de beginletter van de familienaam, de leeftijd en de woonplaats bekend worden gemaakt.

Volledige identificatie en/of herkenbare beelden zijn alleen bij uitzondering mogelijk en onder de volgende voorwaarden die de journalist moet kunnen motiveren:

  • De feiten zijn zeer ernstig en hebben de maatschappij sterk beroerd;
  • De politie of het gerecht verspreiden zelf een opsporingsbericht met volledige identificatie en/of herkenbare beelden;
  • De ouders of voogd van minderjarige slachtoffers komen zelf met hun verhaal naar buiten en maken geen bezwaar tegen volledige identificatie of herkenbare beelden van hun kind. De journalist houdt daarbij rekening met het belang van de minderjarige.

Als de ouders of nabestaanden van minderjarigen de pers verzoeken een bepaalde lijn aan te houden in verband met de identificatie van minderjarigen, wordt daarmee zo veel mogelijk rekening gehouden. De journalist houdt daarbij ook rekening met het belang van de minderjarige.

 

RICHTLIJN BIJ ARTIKEL 24. ZELFDODING EN INTIEME, FAMILIALE OF ROUWPLECHTIGHEDEN

Art. 24. – De journalist respecteert de menselijke waardigheid en tast ze niet verder aan dan noodzakelijk is in het maatschappelijk belang van de berichtgeving.

De journalist vermijdt overdrijving bij het vrijgeven van beelden en/of details, ook wanneer de feiten de publieke opinie sterk beroeren.

Wanneer over gevallen van zelfdoding wordt bericht, respecteert de journalist de privacy van de betrokkene en van de nabestaanden, hij vermijdt dramatisering, gedetailleerde beschrijving en positieve voorstelling van de feiten.

De pers verslaat intieme, familiale of rouwplechtigheden met respect en houdt daarbij rekening met de wens van de betrokkenen.

 

Voetnoten

1. Zie de definitie van journalist in de Aanbeveling R (2000) 7 van de Raad van Europa

2. Handel met voorkennis wordt hoofdzakelijk geregeld in artikels 25§1,1° en 40 volgende van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten (de Wet). De Wet van 2 augustus 2002 is uiteraard ook van toepassing op Journalisten.

3. Marktmanipulatie wordt hoofdzakelijk geregeld in artikels 25§1,2° en 39§1 volgende van de Wet

4. Definitie van artikel 6 van de Europese Richtlijn 2003/125/EG.